1894
Ontwerper: Jan Kłos
Noordoost-Frankrijk en België met twee maatschappijen die het spel al gefloat beginnen, groene steden die zich in tweeën splitsen bij een upgrade naar bruin, en treinen die je kunt inruilen voor nieuwere modellen — voor 3-4 spelers.
1894 — Samenvatting
Type kapitalisatie
- Volledige kapitalisatie: aankopen uit de IPO worden aan de bank betaald en bij het floaten (60% verkocht) ontvangt de maatschappij in één keer 10 keer haar startprijs in de kas.
- De twee beginmaatschappijen (de uitgelote Franse en de Belge) ontvangen dat geld op het moment dat hun "major shareholding"-privémaatschappij wordt gekocht, die hun startprijs vastlegt.
- Aandelen die nog in de IPO liggen en aandelen die de maatschappij heeft teruggekocht, keren dividend uit aan haar eigen kas.
Floaten en aandelenlimieten per speler
- Floatet zodra er niet meer dan 40% van de aandelen in de IPO ligt (dus met 60% verkocht); de uitgelote Franse maatschappij en de Belge beginnen het spel al gefloat
- Een speler mag niet kopen als hij al 60% van een maatschappij heeft, behalve wanneer haar koers in de grijze zone van de markt staat, waar geen limiet geldt
- Certificaatlimiet per speler: 3 spelers — 18; 4 spelers — 14. Privémaatschappijen tellen mee; aandelen van maatschappijen in de grijze zone niet
- In de bankpool mogen hoogstens 5 aandelen (50%) van elke maatschappij liggen
Startgeld per aantal spelers
- 3 spelers: 570 F startgeld
- 4 spelers: 480 F startgeld
- De bank is onbeperkt: het spel eindigt nooit doordat de bank leeg raakt
- Alleen geschikt voor 3 of 4 spelers
Einde van het spel (end game triggers)
- De eerste volledige set operating rounds van de paarse fase (die volgt op de eerste Diesel) wordt afgerond: in die laatste set mag geen spoor worden gebouwd en mogen geen stations worden geplaatst
- Een koers bereikt 450 F: het spel eindigt onmiddellijk (gebeurt dat bij de stijging aan het eind van de stock round, dan stijgen eerst ook de andere maatschappijen die daar recht op hebben)
- Een speler gaat failliet: het spel eindigt onmiddellijk
- Alle spelers zijn het eens over wie gewonnen heeft
- Wie het meeste vermogen heeft (geld, aandelen tegen de eindkoers en privémaatschappijen tegen nominale waarde) wint; er is geen tiebreak
Aantal fasen
- 7 fasen (geel, groen, blauw, bruin, rood, grijs en paars), geactiveerd door de aankoop van de eerste trein van elke kleur
- Operating rounds per set: 1 (geel), 2 (groen en blauw) en 3 (vanaf bruin)
- Treinlimiet: 4 in de gele en groene fase, 3 van blauw tot grijs, en 2 in de paarse fase
- Groene fase: groene tegels, en maatschappijen mogen privémaatschappijen kopen (tot en met de bruine fase)
- Bruine fase: bruine tegels, "bruine" waarden op de inkomstencentra met dubbele waarde, en de late maatschappijen kunnen worden opgericht
- Rode fase: de privémaatschappijen sluiten, behalve de Ligne de Saint-Quentin à Guise, die in de paarse fase sluit
- Paarse fase: normale groene steden kunnen niet meer naar bruin worden geüpgraded
Treinen en prijzen
- 2-trein (geel) — 80 F — 7 stuks; roest bij de eerste 4-trein
- 3-trein (groen) — 120 F — 5 stuks; roest bij de eerste 5+1-trein
- 4-trein (blauw) — 300 F — 4 stuks; roest bij de eerste 7-trein
- 5+1-trein (bruin) — 400 F — 5 stuks; telt tot 5 inkomstencentra plus 1 dorp; roest bij de eerste Diesel
- 6-trein (rood) — 600 F — 2 stuks
- 7-trein (grijs) — 700 F — 3 stuks
- Diesel (paars) — 800 F — onbeperkt; rijdt door een willekeurig aantal inkomstencentra
- Eén keer per operating round mag een maatschappij een eigen trein inruilen voor de volgende beschikbare kleur (of voor een Diesel) door de prijs van de nieuwe min de helft van de prijs van de oude te betalen, zelfs als ze op de treinlimiet zit: 2→3 voor 80 F, 3→4 voor 240 F, 4→5+1 voor 250 F, 5+1→6 voor 400 F, 6→7 voor 400 F, en naar Diesel voor 600 F (vanaf de 5+1), 500 F (vanaf de 6) of 450 F (vanaf de 7)
Privémaatschappijen
- Ligne de Reims à Charleville — 20 F, inkomen 5 F — blokkeert I14; één keer per spel mag de eigenaar-maatschappij 60 F betalen om een extra gele tegel te leggen; als alle spelers passen in de veiling, daalt de prijs met 5 F
- Antwerpen-Rotterdamsche Spoorwegmaatschappij — 25 F, inkomen 5 F (10 F als een maatschappij hem bezit) — geen speciale kracht
- Gare de Liège-Guillemins — 50 F, inkomen 10 F — blokkeert Liège (H17); de eigenaar-maatschappij mag daar de gele tegel leggen of upgraden zonder ermee verbonden te zijn en er gratis een station plaatsen
- Station Antwerpen Centraal — 50 F, inkomen 10 F — dezelfde kracht, in Antwerpen (D17). Slechts één van deze twee privémaatschappijen van 50 F doet mee: de andere wordt bij de opbouw willekeurig verwijderd
- Ligne de Saint-Quentin à Guise — 70 F — inkomen 0 F, dat stijgt naar 70 F wanneer Saint-Quentin (G10) groen is en naar 100 F wanneer het bruin is; sluit in de paarse fase
- London shipping — 90 F, inkomen 15 F — gratis station op A12, veerboot voor slechts 40 F, en treinen van zijn maatschappij die door Londen rijden tellen de hoogste waarde van de route op (Londen en Luxemburg niet meegerekend)
- Nord minor shareholding — 140 F, inkomen 20 F — bevat een 10%-aandeel van de Nord
- Major shareholding van de uitgelote Franse maatschappij (PLM, CFOR, Nord, Ouest of Est) — 180 F, inkomen 40 F — bevat het presidentscertificaat; wie hem koopt bepaalt de startprijs (67, 80, 95 of 100 F); kan aan geen enkele maatschappij worden verkocht en sluit wanneer die maatschappij opereert
- Belge major shareholding — 200 F, inkomen 60 F — hetzelfde, voor de Belge
- Maatschappijen mogen alleen in de groene, blauwe en bruine fase privémaatschappijen kopen, voor tussen de helft en het dubbele van de nominale waarde
Maatschappijen
- Chemins de fer de Paris à Lyon et à la Méditerranée (PLM) — thuisbasis Parijs (G6), op het vak gemarkeerd "PLM" — 5 stations
- Chemin de fer d'Orléans à Rouen (CFOR) — twee thuisbases: Rouen (D3) en Chartres (H3) — 5 stations
- Chemins de fer du Nord (Nord) — twee thuisbases: Lens (D9) en Charleroi (G14) — 4 stations
- Chemins de fer de l'Ouest (Ouest) — twee thuisbases: Le Havre (B3) en Amiens (E6) — 5 stations
- Chemins de fer de l'Est (Est) — thuisbasis Reims (I10) — 5 stations
- Chemin de fer d'Anvers à Gand (AG) — thuisbasis Gent (D15) — 5 stations
- Chemins de fer de l'État belge (Belge) — thuisbasis Mechelen (E16) — 3 stations
- Late French (LF) — late maatschappij, beschikbaar vanaf de bruine fase, met een zelf te kiezen thuisbasis in Frankrijk — 3 stations
- Late Belgian (LB) — late maatschappij, beschikbaar vanaf de bruine fase, met een zelf te kiezen thuisbasis in België — 3 stations
Specifieke mechanismen
- Een uitgelote Franse maatschappij en de Belge beginnen al gefloat, met een 10%-aandeel van elk voor iedere speler (en nog een in de bankpool bij 3 spelers)
- Grijze zone van de markt: daar mag de 60% worden overschreden, mag de president twee aandelen per beurt kopen, tellen de aandelen niet mee voor de certificaatlimiet en stijgt de koers een extra stap
- Maatschappijen kunnen aandelen uit de pool terugkopen (één per ronde, twee in de eerste ronde van elke set) of in één keer alle aandelen die ze hebben opnieuw uitgeven tegen 100 F per stuk, waardoor hun startprijs op 100 F komt
- Treinen inruilen voor de volgende kleur door het verschil te betalen, met een korting van de helft van de prijs van de oude trein
- Normale groene steden splitsen zich bij de upgrade naar bruin in twee aparte steden: de stations worden herplaatst en routes die eerder verbonden waren, kunnen worden afgesneden
- Tot twee sporenacties per ronde: twee gele tegels, of één gele en één upgrade
- Londen is alleen bereikbaar met een veerbootmarker (er zijn er 4, à 80 F); Luxemburg is evenveel waard als het waardevolste inkomstencentrum van de route, en een route tussen Nederland en een andere uitgang van de kaart levert 100 F extra op
- Aan het eind van de stock round stijgen maatschappijen zonder aandelen in de IPO of de pool één stap, en nog een als de maatschappij en haar president er samen 8 of meer hebben
- De volgorde van de volgende stock round wordt bepaald door de volgorde waarin de spelers hebben gepast
Noodverkoop (emergency sell)
Een maatschappij is alleen verplicht een trein te hebben als ze een route heeft vanaf een van haar stations naar een ander inkomstencentrum. Kan ze die niet betalen, dan legt de president eigen geld bij —nooit meer dan nodig is voor de gekozen trein— en als dat niet volstaat, moet hij aandelen verkopen volgens de gewone verkoopregels (zonder de limiet van 5 aandelen in de pool te overschrijden en zonder het presidentschap van de maatschappij die aan het opereren is af te staan). Als zo'n verkoop het presidentschap van een andere maatschappij doet wisselen, gebeurt die wissel vóór de aankoop van de trein. Hij mag de trein ook van een andere maatschappij kopen, maar met bijdrage van de president mag hij daar niet meer dan de nominale waarde voor betalen, en in dat geval eindigt de beurt met een lege kas. Lukt het zelfs zo niet en verkoopt geen enkele maatschappij hem een trein tegen een aanvaardbare prijs, dan gaat de speler failliet en eindigt het spel onmiddellijk, zoals in 1830.
Vergelijking met 1830
1. Setting, aantal spelers en onbeperkte bank
1830 beslaat het noordoosten van de VS voor 2-6 spelers en eindigt wanneer de bank leeg raakt. 1894 is een
fictieve spoorweggeschiedenis van Noordoost-Frankrijk en België, alleen voor 3-4 spelers, met een onbeperkte
bank: het spel eindigt na de eerste volledige set operating rounds van de paarse fase (zonder spoor of stations
te bouwen), wanneer een koers 450 F bereikt of bij een faillissement.
2. Twee maatschappijen beginnen het spel al gefloat
In 1830 begint geen enkele maatschappij gefloat (de B&O-privémaatschappij geeft alleen het
presidentscertificaat). In 1894 wordt bij de opbouw een van de vijf Franse maatschappijen uitgeloot, en van die
maatschappij en van de Belge krijgt elke speler gratis een 10%-aandeel. Het presidentscertificaat van elk zit in
een dure privémaatschappij (180 F en 200 F): wie die in de veiling koopt, kiest de startprijs en de maatschappij
ontvangt meteen 10 keer die prijs. Deze twee maatschappijen kunnen geen aandelen terugkopen of opnieuw uitgeven.
3. Late maatschappijen met een zelf te kiezen thuisbasis
In 1830 hebben alle maatschappijen een vaste thuisbasis die op de kaart gedrukt staat en zijn ze vanaf het begin
beschikbaar. In 1894 zijn er naast de zeven gewone maatschappijen (waarvan drie twee thuisbases hebben) twee late:
de Late French en de Late Belgian, die pas vanaf de bruine fase gekocht kunnen worden. Wie het
presidentscertificaat koopt, kiest de thuisbasis uit de steden van het eigen land met een vrij vak, bij voorkeur
op een hex waar nog geen spoor ligt.
4. Een grijze zone op de markt die de stijging versnelt
In 1830 maken de gekleurde vakken van de markt vrij van de certificaatlimiet en de 60%, en laten de bruine toe meer
dan één aandeel per beurt te kopen. 1894 brengt dat samen in één grijze zone, overgenomen uit 1828: daar mag de
60% worden overschreden en tellen de aandelen niet mee voor de limiet, maar alleen de president mag er twee per
beurt kopen. Het nieuwe is dat de koers van een maatschappij in de grijze zone bij elke stijging een extra stap
stijgt, en aan het eind van de stock round stijgt een uitverkochte maatschappij nog een stap als zij en haar
president er samen 8 of meer aandelen van hebben.
5. Maatschappijen kunnen aandelen terugkopen en opnieuw uitgeven
In 1830 kan een maatschappij geen eigen aandelen kopen of uitgeven. In 1894 kan ze aandelen uit de pool
terugkopen tegen de marktprijs (één per ronde, twee in de eerste ronde van elke set), en die aandelen keren,
net als die nog in de IPO liggen, dividend uit aan de kas. Heeft ze meer eigen aandelen dan er nog in de IPO
liggen, dan kan ze ze allemaal in één keer opnieuw uitgeven voor 100 F per stuk, en wordt haar startprijs 100 F.
6. Treinen kunnen worden ingeruild voor nieuwere modellen
In 1830 laat alleen de Diesel toe een oude trein met korting in te leveren. In 1894 kan een maatschappij, met een
regel overgenomen uit 1824, één keer per ronde een eigen trein inruilen voor die van de eerstvolgende hogere
kleur (of voor een Diesel), als dat de volgende beschikbare is, door de prijs van de nieuwe trein min de helft van
de prijs van de oude te betalen, zelfs als ze al op de treinlimiet zit. Er zijn zeven treinkleuren, waaronder een
5+1 die een extra dorp telt.
7. Steden die zich bij de upgrade naar bruin in tweeën splitsen
In 1830 blijven bij het upgraden van een stad de bestaande verbindingen altijd behouden. In 1894 worden normale
groene steden bij de upgrade naar bruin twee aparte steden: de stations worden weggehaald en hun eigenaars
plaatsen ze opnieuw in een van de twee, zodat routes die eerder door de stad liepen, kunnen worden afgesneden.
Bovendien mag elke maatschappij twee sporenacties per ronde doen (twee gele, of één gele en één upgrade), niet
slechts één tegel.
8. Londen, veerboten en uitgangsbonussen
In 1830 hebben de uitgangen van de kaart een vaste waarde per fase. In 1894 heeft een maatschappij een van de
vier veerbootmarkers nodig (80 F per stuk, hoogstens één per maatschappij) om routes te rijden die door Londen
gaan of er eindigen, en om spoor of stations te bouwen die ze alleen via Londen kan verbinden; Luxemburg is
evenveel waard als het waardevolste inkomstencentrum van de route, en een route die Nederland verbindt met een
andere uitgang van de kaart levert 100 F extra op. De privémaatschappij London shipping zorgt er bovendien voor dat
Londen bij de routes van haar maatschappij de hoogste waarde van de rest van de route optelt.
Een term die je niet kent? Ze staan allemaal uitgelegd in de 18xx-woordenlijst. Woordenlijst →