← Alle spellen

1862: Railway Mania in the Eastern Counties

Ontwerper: Mike Hutton

Het Britse East Anglia zet de klassieke 18xx-conventies op hun kop met drie soorten treinen en subsidiemanoeuvres.

1862 Railway Mania in the Eastern Counties — Samenvatting


Type kapitalisatie


Floaten en aandelenlimieten per speler


Startgeld per aantal spelers


Einde van het spel (end game triggers)


Aantal fasen


Treinen en prijzen


Privémaatschappijen


Maatschappijen


Specifieke mechanismen


Noodverkoop (emergency sell)

Een drastische wending ten opzichte van 1830: hier besteedt de directeur nooit eigen geld en verkoopt hij nooit persoonlijke aandelen. Wanneer een maatschappij zonder trein zich er geen kan veroorloven, kiest de actieve speler in haar plaats tussen twee opties op maatschappijniveau: de eigen schatkistaandelen aan de pool verkopen (waardoor de eigen koers één vak daalt per verkocht aandeel), of «herfinancieren», door de maatschappij via het fusiesysteem van het spel met een grotere te laten fuseren. Als geen van beide genoeg geld oplevert, gaat de maatschappij direct failliet: haar contant geld gaat terug naar de bank, haar stations worden van de kaart gehaald, en de aandeelhouders krijgen van de bank een compensatie in contanten op basis van een verlaagde «effectieve prijs».

Vergelijking met 1830

1. Setting en kaart
1830 speelt zich af in het noordoosten van de VS op een vaste kaart. 1862 speelt zich af in de Engelse regio East Anglia, tijdens de Britse "railway mania", en is volgens veel ervaren spelers een van de meest afwijkende 18xx-ervaringen die er bestaan, tot op het punt dat het veel gebruikelijke aannames van het genre op hun kop zet.

2. Drie treintypes, niet één
In 1830 werken alle treinen hetzelfde: ze bezoeken steden en tellen opbrengsten op. In 1862 krijgt elke maatschappij een willekeurig toegewezen "vergunning" voor een van drie treintypes: local (die steden en dorpen bezoeken en subsidies kunnen gebruiken om de opbrengst op te drijven), goederen (die "kop aan staart" werken, waarbij elke nieuwe trein verder moet waar de vorige ophield) of express (die dorpen negeren, vergelijkbaar met de klassieke treinen van 1830).

3. De "George Hudson-manoeuvre": subsidies omgezet in opbrengst
Een mechanisme zonder equivalent in 1830: maatschappijen met local-treinen kunnen een deel van het subsidiegeld als opbrengst opgeven, wat kan helpen om de aandelenkoers te laten stijgen, ook al levert het echte netwerk niet zoveel geld op.

4. Oprichting via parlementaire veiling, niet via een simpele startprijs
In 1830 kapitaliseren alle maatschappijen op dezelfde manier (× 10 de startprijs bij het floaten) en kiest de oprichter gewoon de startprijs. In 1862 wordt elke maatschappij tijdens de "Parlementsronde" opgericht via een veiling: wie het bod wint, wordt "chartered" directeur met 3 al betaalde stations (£180), maar is verplicht de procedure snel af te ronden op straffe van een boete, terwijl een maatschappij zonder winnend bod toch floatet als "incremental cap", en zelf tussen 2 en 7 stations moet kopen.

5. Optionele fusies
Anders dan in 1830, waar maatschappijen nooit fuseren, staat 1862 optionele fusies toe tussen maatschappijen die hun netwerken willen combineren om sneller te groeien.

6. Verplichte treinaankoop zonder vangnet
In 1830 schiet de directeur, als een maatschappij een verplichte trein niet kan betalen, het geld voor, of kan de maatschappij failliet gaan, met bepaalde mechanismen voor aandelenverkoop als verzachting. In 1862 kan de gedwongen aankoop van een trein niet worden opgelost door aandelen te verkopen of eigen geld bij te leggen: de maatschappij moet het met haar eigen middelen oplossen, wat de druk op de schatkist nog directer maakt.

Een term die je niet kent? Ze staan allemaal uitgelegd in de 18xx-woordenlijst. Woordenlijst →