← Alle spellen

1860: Railways on the Isle of Wight

Ontwerper: Mike Hutton

Het eiland Wight in een 18xx ontworpen voor 2 spelers, zonder faillissementen en met geleidelijke nationalisatie.

1860 Railways on the Isle of Wight — Samenvatting


Type kapitalisatie


Floaten en aandelenlimieten per speler


Startgeld per aantal spelers


Einde van het spel (end game triggers)


Aantal fasen


Treinen en prijzen


Privémaatschappijen


Maatschappijen


Specifieke mechanismen


Noodverkoop (emergency sell)

Wijkt duidelijk af van 1830: een maatschappij is alleen verplicht een trein te kopen als haar eigen schatkist de goedkoopste beschikbare al dekt — als dat niet lukt, is ze er gewoon niet toe verplicht. Er wordt nooit eigen geld van de directeur gevraagd en er worden nooit aandelen gedwongen verkocht. Een maatschappij zonder trein wordt «Insolvent»: ze mag routes blijven rijden alsof ze de goedkoopste beschikbare trein had (wat routelengte betreft), maar moet al haar opbrengst inhouden, en blijft zo tot haar eigen schatkist zich een echte trein kan veroorloven. Dit is iets anders dan de Curatele van 1860 (die ingaat als de directeur zijn eigen directeurscertificaat verkoopt) en het Faillissement (dat ingaat als de koers in de sluitingszone van de beurskoers valt).

Vergelijking met 1830

1. Setting en kaart: een klein en erg krap eiland
1830 speelt zich af in het noordoosten van de VS op een grote kaart. 1860 speelt zich af op het eiland Wight, een heel kleine kaart vol "chines" (kleine kustdalen) die de sporen dwingen te slingeren. Door de kleine omvang komen maatschappijen al heel vroeg rechtstreeks met elkaar in contact, en het spel staat bekend als een van de beste 18xx-opties voor slechts 2 spelers, iets waar 1830 niet specifiek op mikt.

2. Niemand zit zonder trein: insolventie in plaats van faillissement
In 1830 kan een maatschappij die een verplichte trein niet kan betalen failliet gaan en geliquideerd worden, en moet de directeur het verschil uit zijn eigen vermogen bijleggen als de schatkist tekortschiet. In 1860 zijn maatschappijen nooit verplicht een trein te bezitten: hebben ze er geen, dan worden ze simpelweg "insolvent" en moeten ze een trein van de huidige fase huren, waarbij ze al hun opbrengst inhouden tot ze uiteindelijk zelf een trein kopen, zonder dat de directeur ooit geld uit eigen zak hoeft bij te leggen.

3. Je mag 100% van een maatschappij bezitten
In 1830 is de individuele bezitslimiet voor een maatschappij 60%. In 1860 kan een speler tot 100% van de aandelen van eenzelfde maatschappij bezitten, zonder de limiet die in 1830 wel geldt.

4. Geleidelijke nationalisatie van de maatschappijen met de laagste opbrengst
Een mechanisme dat in 1830 volledig ontbreekt: wanneer de eerste "9+5"-trein is gekocht en alle maatschappijen minstens één trein hebben, begint een nationalisatieproces. Vanaf dat moment stoppen de twee maatschappijen met de laagste opbrengst geleidelijk met opereren (ze worden genationaliseerd), en gaat het spel door tot er nog maar twee actieve maatschappijen over zijn — een einde dat door deze keten wordt bepaald, niet door het leegraken van de bank zoals in 1830.

5. Topografie die slingerende routes oplegt
De "chines" (kustinhammen) op de kaart van het eiland Wight dwingen de sporen te zigzaggen om het reliëf te ontwijken, een geografische beperking die veel sterker is dan op de relatief open kaart van 1830.

6. Een partij bedacht en gebalanceerd voor 2 spelers
Waar 1830 het best tot zijn recht komt met 3 of meer spelers, is 1860 specifiek ontworpen voor en zeer gewaardeerd als ervaring met 2 spelers, met behoud van de spanning en interactie die typisch zijn voor 18xx in een kleiner formaat.

Een term die je niet kent? Ze staan allemaal uitgelegd in de 18xx-woordenlijst. Woordenlijst →